
| Olivier Messiaen (1908-1992) | Le banquet céleste (1928) Diptyque (1930) Apparition de l’Église éternelle (1932) Monodie (1963) Verset pour la fête de la Dédicace (1960) |
|
| Jéhan Alain (1911-1940) | Aria (1938) | |
| Trois Danses (1938-1940) - Joies - Deuils - Luttes |
Toelichting
In de cyclus van het integrale orgelwerk van Olivier Messiaen uitgevoerd door Jan Hage op het Marcussenorgel van de Kloosterkerk in Den Haag, is het in deze vijfde aflevering de beurt aan een aantal kortere, hoofdzakelijk vroege werken. Het programma wordt aangevuld met orgelwerken van een belangrijke generatiegenoot van Messiaen : Jéhan Alain (1911-1940).
1. Le banquet céleste (1928) ‘Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem’ (Joh. 6:56). Onderwerp van dit werk is het Heilig Avondmaal. De serene muziek bestaat uit zeer langzaam verschuivende akkoorden gebaseerd op Messiaen’s 2e modus. De staccatonoten in het pedaal symboliseren het voor ons vergoten bloed van Christus. Frappant is hoezeer in dit vroege werk reeds zovele karakteristieken aanwezig zijn die Messiaen’s werk een rol zijn blijven spelen: een gegeven uit het christelijk geloof dat als inspiratie dient, het zeer langzame tempo, het mystieke karakter en het persoonlijke gebruik van een mode ‘à transpositions limitées’.
2. Diptyque (1930) De ondertitel van dit zoals de titel aangeeft
tweedelige werk is: essay over het aardse leven en de eeuwige gelukzaligheid.
Hier ligt geen bijbeltekst aan ten grondslag, maar een algemeen theologische,
dialectische thematiek. In het eerste deel, over de verwarring en onrust van het
aardse leven, zijn de stijlmiddelen relatief conventioneel. Drie onderdelen
bewegen zich in tonica- , dominant-, en subdominantbereik, de volgende apotheose
van het thema in de vergroting en canon in het octaaf keert naar de tonica
terug. In het tweede deel klinkt het thema van het eerste deel (c-mineur) in
majeur, en geeft mede door het extreem langzame tempo de rust van de ‘eeuwige
gelukzaligheid’ weer. Dit tweede deel heeft Messiaen later als slotdeel van zijn
Quatuor pour la fin du temps (1941) bewerkt. Het werk met zijn tweedelige
contrasterende vorm kan als voorbeeld worden beschouwd voor het vierde deel uit
Les Corps glorieux (1939), ‘Combat de la mort et de la vie’. Het extreem
langzame tempo is typerend voor vele werken van de componist waarin hij de
hemelse rust ‘toonzet’. Het werk is opgedragen aan Messiaen’s ‘chers Maîtres’
Paul Dukas en Marcel Dupré.
3. Apparition de l’Église éternelle (1932) Het inhoudelijke idee van dit stuk ligt in de hymne van het kerkwijdingfeest waarin sprake is van de ‘hamerslagen van de goddelijke arbeiders’ die de zielen van de gelovigen rechtslaan en polijsten tot passende levende bouwstenen van de eeuwige kerk. Omdat het om een visioen gaat heeft dit stuk het karakter van een verschijning, die ontstaat en weer voorbijgaat, in het crescendo-decrescendoverloop vergelijkbaar met Debussy’s beroemde Prélude La Cathédrale engloutie. Boven het hamerende pedaalritme klinken akkoorden in verschillende modi, die alle uitmonden in ‘harde, kille’ open kwinten. Uitzondering daarop is de climax, waar een veelstemmige c-groot drieklank klinkt.
4. Monodie (1963) Een éénstemmig werkje, posthuum gepubliceerd.
5. Verset pour la fête de la Dédicace (1960) Dit werk dateert uit een veel latere periode. Het is geschreven in de tijd tussen de experimentele en vernieuwende fase van de orgelwerken Messe de la Pentecôte (1950) en Livre d’Orgue (1951) en de grote synthese van het latere werk (Méditations sur le Mystère de la Sainte Trinité (1969). In deze fase hebben onder meer het gregoriaans en de vogelzang hun intrede gedaan in Messiaen’s muziek. De Verset pour la fête de la Dédicace is geschreven voor het orgelexamen (‘concours’) van het Parijse conservatorium. Het gregoriaanse Alleluia van het kerkwijdingfeest is de basis van het werk. Het thema klinkt aanvankelijk éénstemmig, waarbij de intervallen op een vervreemdende manier zijn gewijzigd, waarna het, begeleid door akkoorden, modaal verdergaat. Daarnaast zijn er twee grote cadensen van de zanglijster, Messiaen’s lievelingsvogel. Tussen de twee cadensen klinkt een intensiverende opeenvolging van akkoorden die de componist aanduidt met ‘supplication’, een biddend aanroepen.
Jéhan Alain (1911-1940)
De componist Jéhan Alain stamt uit een muzikale familie uit de Parijs
voorstad St. Germain-en-Laye. Vader Albert was organist, broer Olivier werd
musicoloog, zus Marie-Odile zong, en jongste zus Marie-Claire werd de beroemdste
organiste ter wereld. Hijzelf studeerde aan het Parijse conservatorium onder
andere compositie (Paul Dukas en Henri Roger-Ducasse) en orgel (Marcel Dupré).
Zijn grote creativiteit uitte hij middels brieven, poëzie, (humoristische)
tekeningen - vaak in combinatie - en vele composities die hij temidden van zijn
drukke werkzaamheden snel neerschreef. Vele daarvan zijn kort en de neerslag van
een vluchtig idee. Aanvankelijk beïnvloed door het idioom van Fauré en Debussy
liet hij zich evenals Messiaen inspireren door wat op dat moment in het Franse
muziekleven actueel was:, nieuwe octaafverdelingen, door Messiaen
gesystematiseerd als ‘modes á transpositions limitées’, de gevarieerde en
subtiele ritmiek van de oosterse muziek, waarmee men kennis maakte tijdens de
wereldtentoonstellingen in Parijs en de jazz (Alain speelde ook saxofoon).
Alains werk is in tegenstelling tot dat van Messiaen niet gestempeld door het
christelijk geloof maar kent een algemener religieus karakter. In stilistisch
opzicht heeft zijn werk weinig verband met het symfonische orgeltype à la
Cavaillé-Coll, veel meer dan Messiaen heeft Alain affiniteit met het
neo-klassieke orgel en dat uit de Franse barok. De spontane musiceerwijze van
Alain leverde een moeizame verhouding op met zijn strenge leraar Dupré, en staat
wat componeren betreft tevens in groot contrast tot de strikte constructieve
werkwijze van Messiaen. De door van zijn zus Marie-Odile door een ongeval in de
bergen wierp een schaduw over het leven van de familie Alain welk ook in zijn
muziek hoorbaar is, met name in zijn bekendste werk Litanies (1937). Jéhan Alain
werd op 20 juni 1940 – enige uren voor de wapenstilstand – als soldaat bij de
verdediging van de stad Saumur gedood. Messiaen en Alain hebben elkaar slechts
oppervlakkig gekend. Messiaen heeft ooit gezegd dat wanneer Alain langer geleefd
zou hebben deze zich waarschijnlijk in dezelfde richting zou hebben ontwikkeld
als hij. Van al zijn collega-organistcomponisten was Alain zonder twijfel de
origineelste persoonlijkheid.
Tijdens dit concert worden de laatste twee orgelwerken van Alain gespeeld. In
deze werken bedient Alain zich van de toonreeks die bestaat uit de opeenvolging
van hele en halve tonen ook bekend als oktotoniek (één toonladder bestaat hier
uit 8 tonen). Messiaen heeft deze reeks, die hij zelf ook vaak toepast,
gerangschikt als nummer 2 van zijn modes ‘à transpositions limitée’, dat zijn
toonladders die slechts een beperkt aantal malen kunnen worden getransponeerd
zonder zichzelf te herhalen (in het geval van mode 2 drie maal). Deze modus werd
in die tijd zeer veel toegepast, en is fundamenteel in het werk van bijvoorbeeld
Ravel, Strawinsky en Bartok (in Nederland in zeer veel werken voor de invloed
van het 12-toonssysteem en het serialisme; Anthon van der Horst gebruikte
dezelfde modus onder de naam ‘modus conjunctus’). Karakteristiek voor deze modus
is de mogelijkheid grote en kleine drieklanken en septiemakkoorden te gebruiken
zonder de daarmee verbonden tonale functies. Het gebruik van modi (zoals de oude
kerktoonsoorten, op nieuwe wijze geïnterpreteerd en allerhande nieuw
samengstelde toonreeksen) gaven de componisten de mogelijkheid aan de inmiddels
versleten conventies van de traditionele functionele tonaliteit te ontsnappen,
zonder in atonaliteit te vervallen. Messiaen stelt doorgaans complexe,
kleurrijke akkoorden ermee samen, Alain beperkt zich juist vaak tot de normale
drieklanken.
6. Aria (1938) De Aria wordt beschouwd als het laatste werk van Alain.
De lyrische, onregelmatige, diatonische frasen van de hoekdelen, begeleid door
ostinatomotieven. Deze contrasteren met de dramatische, octotonische passages ,
gebaseerd op diezelfde ostinatomotieven, in het middendeel. In slotpagina keert
de ‘blanke’ diatoniek weer en eindigt Alain’s zwanenzang rustig en vredig.
7. Trois Danses (1937-1940)
- Joies
- Deuils
- Luttes
De Trois Danses is het grootste werk dat Alain schreef, en hij beschouwde het
zelf als zijn belangrijkste. Oorspronkelijk was het zijn bedoeling het te
schrijven voor groot orkest. Omdat hem de tijd ontbrak de volledige
orkestpartituur uit te schrijven begon hij na een ontwerp voor piano met een
versie voor orgelsolo.
Het eerste deel Joies (vreugden) is gebaseerd op een fanfareachtig
akkoordenthema en een sterk ritmisch dansthema. Deze thema’s worden herhaald,
getransformeerd en gecombineerd in een muzikaal opwindend en energiek verband.
Opvallend in het gehele werk is dat vreugde en verdriet niet in zuivere vorm
optreden. In de vreugde is de onzekerheid van het vergankelijke, in het verdriet
de hoop op het oneindige en de overwinning op het leiden steeds aanwezig. Het
deel gaat zonder onderbreking over in het tweede deel.
Deuils werd als eerste van de drie dansen geschreven, en reeds in 1938 tijdens
een concert dat hij samen met Messiaen gaf in de Ste-Trinité door Alain zelf
uitgevoerd (Messiaen speelde toen delen uit zijn La Nativité du Seigneur). Onder
de titel Danse funèbre (begrafenisdans) is het deel ‘als herinnering aan een
heldendaad’ aan zijn zus Marie-Odile gewijd, die bij een ongeluk in de bergen
haar jongere broer Olivier had gered en daarbij zelf het leven verloor. Het
thema van dit deel (gebaseerd op de zogenaamde ‘zigeunertoonladder’) is de basis
van een passacaglia waarbij in vijf achtereenvolgens inzettende stemmen het
thema in parallellen klinkt. Het contraterende middendeel is een scherzo
gebaseerd op een transformatie van het thema. In het laatste deel Luttes
(strijd) zijn de ingrediënten uit de voorgaande delen verwerkt, eerst als
brokstukken naast elkaar, dan gecombineerd en tot synthese gebracht, waarbij de
tegenstelling vreugde en verdriet als het ware wordt overwonnen. Het werk munt
uit in rijkdom aan kleur, ritmische differentiatie en grote contrasten tussen
verinnerlijking en explosieve vitaliteit.
Naar het overzicht van de concerten in 2005.